Bidweek
voor de eenheid van de christenen
Oecumenische viering op 17 januari 2010
Voor de liturgie van vandaag hebben we geput uit een
brochure van de Nationale Raad van Kerken. En die Raad put
weer uit materiaal van de Wereldraad. De Wereldraad heeft
dit jaar iets te vieren. 100 jaar geleden was namelijk de
eerste oecumenische zendingsconferentie. Die vond plaats
in Schotland, in Edinburgh. De Schotse Presbyteriaanse
kerk heeft het materiaal voor onze Bidweek aangeleverd.
Die kerk is calvinistisch, maar met een hang naar het
evangelicale. Oecumene is boeiend, maar niet altijd
gemakkelijk. De taal die een kerk spreekt kan zo anders
zijn dan in een andere kerk. Dat is al zo met katholiek en
PKN hier in IJsselstein. Maar in de voorbereiding werd van
beide partijen wat vreemd aangekeken tegen de taal uit
Schotland. We kwamen uitgebreid aan de praat over wat ons
aantrekt en wat ons soms afstoot in de taal van
evangelicale christenen. Dit gesprek heeft zijn neerslag
gevonden in deze viering. We vonden samen houvast bij het
evangelie dat ons uit Schotland wordt aangereikt: het
verhaal over de Emmaüsgangers.
Lezing van Lucas 24, 13-24
Overweging door de voorganger
We sloten ons openingsgebed af met de woorden: “Wij zullen
daarvan getuigenis afleggen”. “Jij bent mijn getuige” is
ook het motto van deze viering. Ik zal u eerlijk zeggen:
wij van de voorbereidingsgroep vinden getuige zijn niet
altijd zo makkelijk. We hebben gezocht naar mensen uit
heden en verleden die ons inspireren. Mensen die voor ons
levende getuigen zijn; mensen die kracht en tederheid en
hoop uitstralen, ver weg en dichtbij. Maar zeggen dat
iemand je boeit en inspireert is nog iets anders dan
getuigenis afleggen van je christelijk geloof. Nu zijn er
genoeg mensen, misschien ook wel in ons midden, die minder
schroom hebben om publiek te getuigen van hun band met
Jezus Christus. Mensen die zeggen dat ze aangeraakt zijn
door het vuur van Gods liefde, of dat ze “in de Heer”
zijn. Of ze zeggen dat ze “de Here Jezus in hun hart
toegelaten hebben”. Als dat zo is moet je wel van Hem
getuigen, je kunt haast niet anders meer. Zo’n getuigenis
kan heel authentiek zijn. Zo’n geloofsbeleving kan de
basis vormen voor een heel liefdevol en dienstbaar leven.
Toch is het zo sommige andere christenen alleen al van het
taalgebruik de kriebels krijgen. “Waar zit hem dat nou
in”, zo vroegen we ons af. En naar aanleiding van de
ontmoeting van de Emmaüsgangers en de vreemdeling kwamen
we tot deze vaststelling: wat de leerlingen hier doen moet
onder ons christenen altijd mogelijk zijn. Dat we net als
de leerlingen radeloos zijn, dat we het niet meer weten,
dat we elk houvast verloren hebben, dat we in verwarring
zijn, dat we het niet meer begrijpen. Kortom: dat we echt
aan de grond zitten.
Als een bepaald christelijk taalgebruik bij ons stekels
oproept, dan is het omdat we het gevoel hebben: hier wordt
met de taal van het geloof iets weggedrukt wat er niet mag
zijn. Hier wordt iets verdrongen, bezworen, uit de weg
gegaan. Dat kan tijdelijk nodig zijn. Maar wat je uit de
weg gaat komt onherroepelijk weer op je pad. Ons is
dierbaar dat we zo onbevangen mogelijk kunnen en durven
kijken: wat is er aan de hand, en wat doet dat met de
ander, en met mijzelf? Niet te snel oordelen, niet te snel
denken dat je de zaak wel door hebt. Eerst goed kijken,
naar buiten en naar binnen. Uit durven komen voor wat je
bedrukt of welke littekens of levensvragen je nog steeds
met je meedraagt. De leerlingen doen dat; de vreemdeling
geeft hen de ruimte heel hun verhaal te doen.
Wij willen u nu uitnodigen tot een moment van
bezinning. U kent vast die tekst over de voetstappen in
het zand. U ziet de voetstappen ook afgebeeld. Probeer
eens naar binnen te keren bij het luisteren naar deze
tekst. Probeer contact te krijgen met momenten uit uw
eigen leven, dat u net als de leerlingen het gevoel had
dat u helemaal aan uzelf was overgeleverd..
Voetstappen in het zand.
Ik droomde eens en zie
ik liep aan 't strand bij lage tij.
Ik was daar niet alleen,
want ook de Heer liep aan mijn zij.
We liepen samen het leven door,
en lieten in het zand,
een spoor van stappen; twee aan twee,
de Heer liep aan mijn hand.
Ik stopte en keek achter mij,
en zag mijn levensloop,
in tijden van geluk en vreugde,
van diepe smart en hoop.
Maar als ik het spoor goed bekeek,
zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was,
maar één paar stappen staan
Ik zei toen "Heer waarom dan toch?
Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag,
op het zwaarste deel van mijn pad..."
Dit was een oefening in eerlijk naar binnen kijken. Dat
is noodzakelijk, wil je tot een evenwichtig geloof komen.
Niet te snel oordelen en zeggen: “oh, dat is Gods wil; God
zal daar wel een bedoeling mee hebben” of nog erger:
precies weten wat van God komt en wat van de duivel. We
kunnen in deze veel van de psalmisten leren: vanuit de
diepte, die op geen enkele manier ontkend wordt, durven
zij te bidden tot God, om hulp, om kracht, om troost.
Werkelijk open handen hebben, durven toegeven dat je er op
eigen kracht niet meer uit komt. Of dat je echt bang bent.
Juist dan kan het gebeuren dat je door alle angst en
bitterheid en onzekerheid heen ineens Gods liefdevolle
nabijheid voelt.
We gaan verder met de lezing van het Emmausverhaal. De
vreemdeling gaat nu teksten uit de Schrift leggen naast
het verhaal van de leerlingen. We zien een Bijbelboek met
een grote steen erop. Die steen staat symbool voor alles
wat ons kan blokkeren om de Bijbelverhalen echt tot hun
recht te laten komen. Alles wat verstard is, wat koud is
geworden. Dat kan iets in onszelf zijn: onze verbittering,
waardoor er niets nieuws meer kan gebeuren. Onze
bitterheid, omdat we al precies denken te weten wat we van
het leven en van andere mensen kunnen verwachten: namelijk
niet veel goeds. De verstarring kan ook zitten in onze
manier van omgaan met de Schrift: dat we er zoveel
theologie, zoveel spijkerharde dogmatiek en moraal omheen
hebben gebouwd, dat de Schrift nog slechts een illustratie
kan zijn van wat we al weten. Maar we zouden zo graag
willen dat het Woord van God ons verrast, dat het zijn
eigen kracht laat zien, soms dwars door alle verstarring
heen. We halen de steen weg van de Schrift… Het boek
wordt opengelegd.
Een grote steen wordt weggenomen van de kansel-Bijbel
Lucas 24, 25-27 wordt gelezen en later Lucas 24, 28-35
We willen getuigen zijn, getuigenis afleggen van ons
geloof, verkondigers zijn van de blijde boodschap. We
willen de verhalen en teksten van de Schrift leggen naast
onze eigen verhalen en teksten. En niet op een prekerige,
moraliserende manier. Want dan wordt het
eenrichtingsverkeer: dan laten we de Schrift zeggen hoe we
eigenlijk hadden moeten zijn en hoe we eigenlijk hadden
moeten doen. De vreemdeling houdt ook geen donderpreek
tegen de leerlingen. Hij stelt ze vragen; hij houdt ze een
spiegel voor. Hij legt oude teksten over de komst van de
Messias naast hun verhaal over de dood van Jezus. De
vreemdeling legt ze niets in de mond. Hij laat het bij hen
wat het naast elkaar leggen van de verhalen met hen doet.
En achteraf zeggen ze: “Brandde ons hart niet toen hij
onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons
ontsloot?”. Pas achteraf beseffen de leerlingen dat de
vreemdeling hen naar hun eigen verhaal heeft laten kijken
vanuit een heel ander perspectief. Het perspectief van
God, waarin het lijden van de Messias moest gebeuren, als
doorgangsweg naar de verrijzenis. Zo kan het ook ons
gebeuren dat we ineens met andere ogen kijken naar de
dieptepunten uit ons eigen leven. De tekst over de
voetstappen in het zand eindigt als volgt:
De Heer keek toen vol liefde mij aan, en antwoordde op
mijn vragen;
"Mijn lieve kind, toen het moeilijk was, toen heb ik jou
gedragen..."
Ik wil u nu vragen het stil te maken in u zelf, naar
binnen te keren, terug te gaan naar die herinnering, naar
dat moment dat u zich helemaal overgeleverd voelde aan
uzelf. En de vraag die we ons allen kunnen stellen is:
“Waar was God toen, voor mij, op dat moment? En als Hij
verborgen aanwezig was, wat heeft Hij toen met mij gedaan?
Het is zo belangrijk om onbevangen naar je eigen leven
en dat van anderen te durven kijken. En te beseffen: niets
is bij voorbaat taboe. Angst en verlangen mogen er zijn,
spijt en mildheid, We nemen onszelf zoals we zijn mee hier
naar de kerk. In dit uur wordt de Schrift opengelegd en
uitgelegd. Protestanten vieren soms het avondmaal;
katholieken vieren altijd eucharistie of delen van de
gewijde gaven die over zijn gebleven van de week ervoor.
Het kan allemaal bij jezelf aan de buitenkant blijven.
Maar het kan ook zo zijn dat je ineens geraakt wordt door
iets uit de eredienst. Iets waardoor je hart gaat branden;
iets waardoor je je leven in een nieuw en breder
perspectief gaat zien, iets waardoor je Gods verborgen
aanwezigheid in je leven gaat ontdekken. Dat die ervaring
er niet is, daar moet ruimte voor zijn. Ruimte voor
leegte, voor absurditeit, voor twijfel, voor zoeken en
tasten. Een geloofsbeleving en een liturgie die daarvoor
geen ruimte laat, sluit buiten. Ze sluit niet alleen onze
bestaanservaring buiten, maar ook de ervaring die je
onverwacht kunt opdoen: dat de liefde en de genade van God
ineens door al jouw gedachten en gevoelens heen breekt en
jou vervult. Moge er vele van zulke momenten zijn in ons
leven; dat we verrast worden door de genade van God. Want
dan kunnen we ook van binnen uit in woord en daad
getuigenis afleggen van het geloof dat in ons leeft.
Allemaal hebben we wel momenten gehad dat we het gevoel
hadden dat God ons nabij was. Daarom kunnen we getuigenis
afleggen van ons geloof. Laten we gaan staan en de
geloofsbelijdenis uitspreken.
Hans Oldenhof, p.w.
|