Overweging
over omgaan met zonde en schuld (n.a.v. een zelfdoding)
Bijbellezingen op 6 en 7 februari: Jesaja 6, 1-8 en Lucas
5, 1-11
“Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens”.
Dat zegt Simon, de visser, als hij zich schaamt voor het
gebrek aan vertrouwen in Jezus, dat hij eerst getoond had.
In ons spraakgebruik heeft het woord zondaar, zondig
zijn, een negatieve klank. Het klinkt net als “een slecht
mens” zijn. Als ik u zou vragen: “Bent u een zondaar?”,
dan zult u waarschijnlijk antwoorden: “Nou, ik denk dat
het nogal meevalt”. Ik heb me afgevraagd waar die reactie
vandaan komt. Het zou kunnen zijn dat hij komt uit een wat
verder verleden. De tijd dat er nog heel veel sociale
controle was, en ook meneer pastoor minstens eenmaal per
jaar overal op bezoek kwam en iedereen kende. Het was een
tijd waarin heel duidelijk was hoe iedereen zich hoorde te
gedragen, en o wee als je andere wegen ging. Dan lang je
eruit, dan werd er over je gekletst, want je was een
zondaar. Laatst sprak ik met een katholieke man die uit
Irak was gevlucht en in Nieuwegein naar een
Iraaks-katholieke viering ging. Hij zei: “Vroeger waren er
bij ons nooit echtscheidingen, maar nu ineens wel”. Hij
vond het maar moeilijk te accepteren. “Zoiets doe je toch
niet?”, zei hij. De tijd dat wij zo praatten ligt denk ik
ver achter ons. Er wordt nu veel opener over allerlei
dingen gesproken, en we veroordelen mensen minder snel. We
zoeken eerder naar de oorzaken, naar de achtergronden. We
wijzen minder snel met ons vingertje. Want we weten heel
goed: als we met één vinger naar een ander wijzen, dan
zijn er drie vingers op onszelf gericht. Met andere
woorden: elke kritiek die je uit slaat ook op jezelf
terug. Wat zou ik zelf hebben gedaan als ik in een
soortgelijke situatie had gezeten? En ben ik zelf altijd
zo brandschoon? Jezus heeft het hier ook over als hij de
farizeeën en de Schriftgeleerden uitscheldt voor
witgepleisterde graven: van buiten stralend wit maar van
binnen heel anders. En hij zegt ook tegen ze als ze een
overspelige vrouw willen stenigen: “Wie zonder zonde is
werpe de eerste steen”.
Nu we de tijd van het wijzende vingertje wat achter ons
gelaten hebben kunnen we denk ik ook op een meer Bijbelse
manier over zonde praten. Als Jezus zegt: “Wie zonder
zonde is werpe de eerste steen” zegt hij eigenlijk ook:
verbeeld je maar niks; iedereen is een zondaar, iedereen
maakt fouten, niemand is volmaakt. Als je dat kunt
accepteren, van jezelf, van de anderen om je heen, en van
alle mensen, dan heb je al een belangrijke stap gezet. Als
je accepteert dat we allemaal zondaars zijn, dan heb je
een basis in jezelf voor kritiek én voor mildheid. Kritiek
en mildheid, naar anderen toe en ook naar jezelf. Soms wil
je iets echt goed doen, maar je merkt dat je het niet
kunt. Paulus zegt dat ook ergens kernachtig: de geest is
gewillig, maar het vlees is zwak. En hij zegt: ik doe wat
ik niet wil, en wat ik niet wil, doe ik toch. Mens zijn is
soms heel ingewikkeld.
Afgelopen week is een vrouw uit Lopik gecremeerd na een
geslaagde poging tot zelfdoding. We gedenken haar in onze
gebeden. Hoe gaan we als gemeenschap om met dit
verschrikkelijke gebeuren? Ik hoop niet dat we
terugvallen in de reflexen van 50 jaar geleden. Toen kreeg
zo iemand geen kerkelijke begrafenis en werd hij of zij
ook niet in gewijde aarde begraven. Want hij of zij was
een zondaar, een slecht mens. Want zoiets doe je niet. Ik
denk dat we er nu anders mee omgaan. In ieder geval gaat
onze kerk er anders mee om, dus ook de bisschop en de
pastores. Vroeger dachten pastores: we moeten in
donderpreken zeggen dat allerlei dingen slecht zijn en
zondig, want dan doen mensen het niet. Dreigen met de hel
heeft een afschrikkende werking, dacht men. Maar de kerk
heeft geleerd. We weten nu dat donderpreken niet helpen
als iemand echt wanhopig is. Een zelfdoding is een
noodsprong, die voor de persoon zelf ook helemaal ingaat
tegen wat hij of zij eigenlijk het liefste zou willen. Het
is een noodsprong, uit onmacht.
Ik heb in mijn loopbaan diverse begrafenissen geleid na
een zelfdoding, vaak van jonge mensen. In de liturgie was
ruimte voor allerlei gevoelens, voor verdriet, voor
verbijstering, voor schuld en spijt, voor onbegrip en
woede. Het mag er allemaal zijn maar iedereen weet ook: we
staan met lege handen. Hier is sprake van een diepe
tragiek. Je weet vaak niet wat er allemaal achter zit. En
geroddel brengt je vaak ook niet dichter bij de waarheid.
En als je al iets begrijpt, dan nog krijg je hem of haar
er niet mee terug. Tegenwoordig krijgt een overledene na
een zelfdoding als de familie dat wil wel een kerkelijk
begrafenis in gewijde aarde. En zo’n plechtigheid kun je
als pastor zo vormgeven dat er niet alleen ruimte is voor
verdriet en onmacht. Het is verschrikkelijk wat er
gebeurd is; het is echt een kwaad. Het had niet moeten
gebeuren. Maar hoe gaan wij ermee om? Huilen we even, zijn
we even verbijsterd en gaan we dan over tot de orde van de
dag?
Dat zou niet goed zijn. Iemand die een einde aan zijn
of haar leven maakt houdt ons ook een spiegel voor. Het
gebeuren kan ons ook aan het denken zetten. Hij of zij is
een zondaar, maar wij ook. Wat hadden wij gedaan in een
situatie van wanhoop, of depressie, of diepe
machteloosheid? Hoe sterk staan jij en ik in onze
schoenen? Hoe kunnen we voorkomen dat we zelf ooit zo’n
noodsprong maken? Hoe kunnen we zo met elkaar omgaan, dat
het niet zover hoeft te komen? Alle kwaad dat we meemaken
kan ons aan het denken zetten, of het nu een
echtscheiding of een drankverslaving, een zelfdoding of
een oorlog is. Mensen zijn tot de meest verschrikkelijke
dingen in staat, ten koste van anderen en ook van
zichzelf. We zijn echt zondaars. Maar we kunnen ook
liefhebben, we kunnen innerlijke kracht ontwikkelen, we
kunnen halverwege omkeren, we kunnen onszelf en elkaar na
een diepe spijtbetuiging vergeven. Daarover zou ons
gesprek eigenlijk moeten gaan als we met elkaar de hele
moeilijke dingen van het leven willen verwerken. Hoe
kunnen we ervoor zorgen dat geloof, hoop en liefde in ons
blijven branden als een vuur dat niet te doven is. In het
evangelie komt Simon er rond voor uit dat hij een zondaar
is. Hij had te vroeg de hoop opgegeven. En Jezus vergeeft
hem. Hij ziet grote verborgen mogelijkheden in deze man.
Later zal hij deze zondaar een andere naam geven: Petrus.
Dat betekent rots. Van deze man die eerst zo wankelmoedig
was zegt hij: jij bent de rots op wie ik mijn kerk ga
bouwen. Zo omgaan met zonde, dat er juist positieve
krachten in ons wakker worden gemaakt, dat wens ik ons
allen toe.
Hans Oldenhof, pastoraal werker (030
2980010)
|