Andere wegen durven gaan
Pastor Dorothea Brylak nam op 3 juni 2007 afscheid van onze
parochie. Ter gelegenheid van dit afscheid willen we graag met
haar terugkijken op de afgelopen vijf jaar. De Taborparochie was
haar eerste standplaats na haar theologiestudie. We leggen haar
de vraag voor of het parochiepastoraat heeft gebracht wat ze
ervan verwachtte toen ze, vol van idealisme, aan die opleiding
begon. Dorothea steekt van wal:
Ontmoetingen vallen je toe
Ik ben theologie gaan studeren om in het basispastoraat te
kunnen gaan werken. Dat ik graag in het basispastoraat wilde
gaan werken komt voort uit de behoefte om dicht bij mensen te
zijn, om met hen op te trekken, om samen te ontdekken wat het
betekent gelovig te zijn en dit geloof handen en voeten te
geven. Belangrijk in mijn leven is het beeld van de weg. Wij
mensen zijn onderweg, we zijn in beweging. Onderweg ontmoet je
mensen, kom je op elkaars pad. Die ontmoetingen vallen je toe.
Ze doen iets met je, veranderen je, doen je groeien. Met sommige
mensen trek je heel lang op, er ontwikkelen zich vriendschappen.
Met andere mensen trek je maar een korte tijd op. De waarde van
het met elkaar optrekken ligt niet in de lengte, maar in de
diepte en de intensiteit. Als je op weg gaat, weet je niet
waarheen de weg je leidt. Er kunnen kronkels in die weg liggen
en stenen op het pad zijn. Maar de weg die we gaan is een weg
met een doel.
Basispastoraat
Na mijn “Abitur” (VWO examen) heb ik een opleiding als
verpleegkundige voor kinderen gevolgd. Hier in Nederland ben ik
theologie gaan studeren, nadat ik eerst een jaar lang geprobeerd
heb de Nederlandse taal een beetje onder de knie te krijgen.
Doel van de studie was altijd om in het basispastoraat te kunnen
gaan werken. Al gaande ging het studeren me steeds meer boeien:
het kritisch kijken naar teksten zoals de bijbel, de kerkelijke
documenten etc. Door discussie verbreed je je horizon. Maar de
motor van mijn studie bleef toch het basispastoraat. De studie
was eerst heel veel theorie, maar ik werd diep geraakt op het
moment dat ik de theorie in praktijk ging brengen. Ik kwam
tijdens mijn theologisch practicum terecht bij drugsverslaafden
in Amsterdam, en liep stage in de stadsparochie Zuilen. Daar heb
ik geleerd: ga de wijk in, ga met mensen in gesprek over de
dingen die hen bezig houden. Een voorbeeld daarvan is de pijn
bij de sluiting van de
Ludgerkerk: mensen voelden zich ontheemd.
Een van de belangrijke dingen in het pastoraat is dat je moet
leren de taal van de medegelovigen te verstaan, maar daarbij ook
dicht bij jezelf te blijven en steeds meer jezelf te worden. Je
moet ontdekken wie je zelf bent en welke bedoeling God met jou
heeft.
Bij keuze waren drie dingen belangrijk
Mijn studie duurde negen jaar. Vooral in de laatste jaren
kreeg ik de meeste handvatten voor het pastoraat aangereikt.
Samen met vicaris-generaal Piet Rentinck, personeelsfunctionaris
Harry Bisseling en deken Theo de Wit ben ik toen gaan kijken in
wat voor parochie ik zou kunnen starten.
Voor mij waren drie dingen daarbij belangrijk:
1- ik wilde graag samenwerken in een team, waar ieder zijn eigen
verantwoordelijkheden heeft, maar waarin men elkaar ook steunt;
2 - ik wilde graag een parochie waar een basis is, waar
vrijwilligers zijn die samen met de pastor op willen trekken en
waar we verder kunnen bouwen;
3 - ik wilde naar een parochie waar ruimte is voor nieuwe
dingen.
In mijn eerste functie wilde ik niet zo graag een parochie
waar ik me als eerste vrouwelijke pastor nog een weg moest
banen.
Er waren drie opties, maar om bovenstaande redenen werd het
uiteindelijk Nieuwegein.
Bij mijn benoeming werd mij ruimte gegeven om het pastorale veld
te leren kennen en te kijken waar mijn sterke kanten liggen en
deze mogelijk te verdiepen. Ik werd niet in een profiel benoemd.
In het nieuwe parochieverband 3Rivierenland werd het dan het
profiel gemeenschapsopbouw met bijzondere aandacht voor het
jongerenpastoraat.
Tienerproject en NoName
In de Taborparochie was een sterke stuurgroep van het
Tienerproject die met mij op weg wilde gaan. Samen met jongeren
zijn wij op zoek gegaan: zij willen op hun eigen manier kerk
zijn en het moet laagdrempelig blijven. Dat betekent ook: hoe
ver durf je daarin mee te gaan?
We moeten duidelijk maken dat wij elkaar iets te bieden hebben,
want hier - bij de jongeren - ligt onze toekomst.
Na het Tienerproject was er niets meer voor jongeren. Met een
sterke en enthousiaste tienerclub, die geleid werd door Hans en
Thea Kokx, zijn we toen verder gegaan. Een nieuwe stuurgroep met
vijf leden is toen gaan brainstormen hoe we het werk voor
jongeren van 15 jaar en ouder vorm willen geven. Dit is
uitgegroeid tot het jongerenproject NoName. En het geweldige
hiervan is dat uit de eerste lichting NoNamers nu vier meiden
leiding geven aan het Tienerproject nieuwe stijl.
Wie maakte je wegwijs in de parochie?
Dat waren de collega’s en met name ook de vrijwilligers. In
april 2002 ging
Frans
Overbeek weg en ik kwam in juli van dat jaar. In de
tussentijd werd veel door vrijwilligers gedragen. Ik kan me nog
goed herinneren dat de leden van de Kerkcommissie van de
Nicolaaskerk een inventarisatie hebben gemaakt van alle
werkzaamheden in en rondom die gemeenschap. Ik wist ook dat mijn
voorganger een geliefde en “krachtige” pastor was. Als je dan
als junior pastor aan je eerste benoeming begint, dan kun je het
daar even benauwd van krijgen. Maar ik merkte al heel gauw dat
het belangrijk was en is om authentiek te zijn en te blijven.
Als heel belangrijk en leerzaam heb ik de informele ontmoetingen
in de wandelgangen ervaren en zo ook veel mensen leren kennen,
hun wel en hun wee..
Een levendige geloofsgemeenschap
Als gelovigen onder elkaar is het belangrijk dat je weet waar
elkaars verantwoordelijkheden liggen. Je moet samen iets van de
kerk maken en nieuwe wegen inslaan.
Zo zijn er tijdens mijn periode hier nieuwe dingen ontstaan: de
pastoraatgroep, waar ik mee mocht optrekken, de nieuwe opzet van
het jongerenpastoraat, de Taizé-reis in de herfstvakantie is
echt oecumenisch geworden, zo ook de werkgroep voor de
Taizédiensten in Nieuwegein, de werkgroep meditatieve vieringen,
de commissie gemeenschapsopbouw, de oecumenische werkgroep
Blokhoeve, de Nicolaasweek, het project “Levende Stenen”.
De gezinsvieringen zijn voortgezet, maar hebben in nauwe
samenwerking met een enthousiaste groep vrijwilligers een nieuwe
impuls gekregen. Ik denk spontaan aan de kerstmusical “Het
glazen boek” in de Nicolaaskerk en een gezinsviering voorafgaand
aan de Paaswake enkele jaren geleden, waar we de tocht door de
Rietzee hebben nagespeeld. Ik vind het plezierig en inspirerend
om met jonge kinderen en ouders op te trekken en in de werkgroep
samen te werken en nieuwe ideeën met elkaar te delen en creatief
daarmee om te gaan.
Er is ook een ontwikkeling geweest in de vieringen in
Zuilenstein: er zijn mensen bereid gevonden om orgel te spelen
en voor te gaan, en er is gezorgd voor een koor. De kwaliteit
van die vieringen is omhoog gegaan. De parochianen daar zijn er
heel blij mee en dankbaar daarvoor.
Ik had hier in Nieuwegein een fulltime baan, waarvan ik tot
januari 2006 80% in de Nicolaaskerk werkte en 20% ‘Taborbreed’.
Met name in de Nicolaaskerk, maar ook in de geloofsgemeenschap
rondom de Emmaus- en de Barbarakerk heb ik een ‘gezicht’
gekregen. Ik heb echt breed mogen werken. Zoals ik al zei, zijn
er een aantal nieuwe initiatieven ontstaan, maar ook de andere
werkgroepen, die gewoon met hun werk doorgingen, hebben zich
verder ontwikkeld. Het zijn er veel en als ik ze begin te
noemen, hoop ik er geen te vergeten. Ik denk aan de pastorale
bezoekgroepen, de welkomstgroep nieuwe bewoners, de Vesperkring
voor en met mensen met een verstandelijke beperking, de
verschillende oecumenische activiteiten samen met de PGNN
(protestantse gemeenschap Nieuwegein Noord), het Liturgisch
Beraad,…
Ontwikkelingen in de liturgie
Spannend vind ik de ontwikkelingen van het liturgisch beleid.
Veel vrijwilligers zijn liturgisch goed opgeleid en/of hebben
regelmatig cursussen gevolgd, maar ik vind het zorgelijk en
vraag me af wat overblijft, als het beleid van het aartsbisdom
doorgaat en communievieringen afgeschaft worden. Tegelijkertijd
heb ik er ook wel vertrouwen in, dat er nieuwe vormen van
liturgie ontstaan en wij misschien meer met symbolen gaan
werken.
Ook een zorgpunt: we maken ons zo druk om de organisatie op gang
te houden, dat ik me afvraag: staan we wel genoeg stil bij van
waaruit we dat doen, welke plek heeft het geloof, en durven wij
daarvan te getuigen? (bijvoorbeeld door vergaderingen te
beginnen met een gebed). En durven wij of zijn we echt ertoe in
staat om hele nieuwe wegen in te slaan en een heel andere, een
missionaire kerk te worden? Mijn ervaring is dat wij katholieken
niet echt gewend zijn om over het geloof te praten, we zijn meer
doeners. Toch zullen we meer moeten leren over ons geloof te
praten, ‘ervan getuigen’ noem je dat in deftig Nederlands.
Hoe zie je de toekomst van de kerk?
Misschien moeten we naar kleinere vormen toe. Het bisdom
heeft de droom dat de kerken weer vollopen, maar de vraag is of
dat lukt. Ook de vrijwilligerslagen brokkelen af.
Er zijn andere vormen van vieringen mogelijk, vroeger gebeurde
het ook gewoon bij mensen in huis. Met de NoNamers hebben we een
aantal jaren achter elkaar het nieuwe jaar vierend bij ons in
het klooster in Vleuten begroet. We hebben ervoor gezorgd dat we
samen aan tafel konden gaan en we hebben bewust stilgestaan bij
wat wij elkaar echt toewensen.
Door samen daadwerkelijk aan tafel te gaan, elkaar iets goeds
toe te wensen en letterlijk het brood met elkaar te delen, zit
je dicht bij de bron waar het om gaat. Het verbinden van de
Schrift met levensverhalen is de basis.
De vraag is of wij durven te experimenteren om zo terug te keren
naar de bron en ons leven een nieuwe richting te geven. De kerk
moet meer de straat op gaan en zich opnieuw haar plek in de
maatschappij verwerven. Ze mag best wel kritisch haar stem laten
horen. Ik hoop ook dat we ons blijven inzetten op de oecumene,
op wat ons verbindt. Dat zal niet makkelijker worden door het
werken in parochieverbanden. Maar ik hoop ook dat we wegen
vinden om onze krachten te bundelen.
We moeten ons veel meer afvragen wat ons diepste verlangen is.
Welke betekenis heeft God in ons leven van wie de Schrift zegt:
“Ik zal er zijn”? Kunnen we een kerk zijn die steeds meer een
gebouw van levende stenen wordt?
We zijn alsmaar aan het doen, aan het ontwikkelen. Kunnen wij
als mensen die intellect hebben meegekregen nog een ontvangende
houding aannemen? Een houding dat het niet bij ons begint en
eindigt, maar dat God Oorsprong en Bron van alles is. Kunnen wij
nog aanvaarden dat er Iemand is die ons overstijgt en ons een
gemeenschap wil maken? Hoe raken we onze medemensen ten diepste?
Zijn we in staat dat verlangen, de Geest, in ons te ontdekken en
aan het werk te laten? Is het niet vaak zo dat we te veel onze
ratio gebruiken en de balans tussen ratio en bezieling
zoekraakt? We moeten onze organisatie die onze kerk in de loop
van vele jaren is geworden, weer meer inhoud geven. Het goede
van het kerkzijn moeten we behouden maar we moeten ook durven te
experimenteren.
Kerk zijn de mensen (vergelijk de dwarsbalk van het kruis), maar
er is ook Iemand die ons overstijgt (de verticale balk), en op
het raakvlak tussen beide, dáár gebeurt het, daar zijn we samen
kerk.
Wil je mens zijn onder de mensen dan moet je ontvankelijk zijn.
Wij moeten opnieuw leren te ontvangen, ontvankelijk zijn en zien
dat de Geest ons andere wegen opstuurt.
Het verhaal van de Emmausgangers
Bij persoonlijke ervaringen van ellende of ziek zijn, kun je
merken dat het tevens een rijkdom kan zijn: je moet niet
ondergaan in de ellende, maar openstaan voor dingen die je
ontvangt en de hechte banden die er soms ontstaan. Je ontvangt
daaruit de kracht om verder te gaan of je leven een andere
richting te geven. Je ontvangt kracht, maar moet ook de
onzekerheid aannemen om je toekomst in handen te nemen, ook al
weet je niet wat ze je brengt. Hierdoor kom je dichter bij de
ander te staan en ook bij jezelf.
Het heeft me verbaasd hoe snel soms vertrouwen ontstaat tussen
mensen, tussen mij als pastor en parochianen. Er is een gevoel
van veiligheid, dat vind ik een wonder. Mij boeit ook vooral het
verhaal van de Emmausgangers. Twee mensen zijn onderweg,
gedesillusioneerd. En dan komt er ineens iemand op hun pad en
door ontvankelijk te zijn voor diegene die op hun weg komt
ontstaat er een gelovige ontmoeting. Er gebeurt iets
(non-verbaal) wat ons overstijgt. Je kunt dit alleen vanuit een
gelovige houding zien en het geeft kracht om verder te gaan.
De “pastor-zuster”
Ik realiseer me dat ik in de afgelopen jaren naast mijn
pastor-zijn, vaak aangesproken ben op mijn kloosterling-zijn.
Dit hangt niet af van het zichtbaar zijn, ik draag gewoon
burgerkleding, maar mensen zien mij toch altijd als
kloosterling. Ik heb vaak over mijn levenskeuze en mijn manier
van leven gesproken, ook met jongeren. Gelukkig heb ik enge of
verkeerde beelden over het leven achter ‘dikke’ kloostermuren
kunnen ontkrachten. Verschillende werkgroepen hebben mijn
woonomgeving leren kennen en zijn ook aan de praat geraakt met
mijn medezusters.
Binnen het geloof heb ik bewust voor deze weg gekozen. Het is
niet altijd een gemakkelijke weg en mijn leven en mijn
levenskeuze kennen ook dieptepunten, zoals ieder mensenleven.
De toekomst
In de kerk en ook in de kloosters nemen de aantallen af maar
dit moet ons niet belemmeren. We moeten de kracht zoeken in het
kleine. Het geloof gaat door en we moeten in die stroom meegaan.
Ik hoop dat de Taborparochie / 3Rivierenland blijft investeren
in jongeren en nieuwe wegen inslaat. Dit is een vorm van
missionair pastoraat.
Je moet daarbij gebruik maken van de huidige
communicatiemiddelen. De jongeren van NoName hebben een eigen
website waar ze ook met elkaar kunnen communiceren. Ga mee met
de tijd! Haal het positieve er uit zodat je daar vruchtbaar mee
kunt werken.
Binnen de kerk heb je te maken met regels en wetten, zeker in
mijn nieuwe functie, maar ik hoop dat iedereen binnen de kaders
de ruimte krijgt om een eigen weg te gaan en om te
experimenteren. Die ruimte heb ik hier in de parochie wel
ervaren.
Ik ben een pastor die altijd de grenzen opzoekt, soms wat meer,
soms wat minder, maar ik ben nog nooit teruggefloten.
Het aartsbisdom heeft er voor gekozen om een sterkere
verantwoordelijkheid te geven aan de teams. Zij zetten in op
gezamenlijke verantwoordelijkheid en dat binnen een eigen
profiel.
Ik kan vruchtbaar werken als ik van gewijde collega’s de ruimte
krijg en dat heb ik in Nieuwegein ervaren. Het was echt altijd
een samen voorgaan en we hadden niet het gevoel in elkaars
vaarwater terecht te komen, zowel in eucharistievieringen als
ook bij ziekenzalvingen. Als pastoraal werker heb je toch een
kwetsbare positie.
Je krijgt als pastor gezicht in de liturgie en andere
werkzaamheden, in werkgroepen en jongerenpastoraat, door dicht
bij de mensen te staan. Ik heb geleerd naar mensen te luisteren.
Het betekent ook dat je elkaar ziet, dan ontstaan er nieuwe
dingen en ontwikkelingen binnen groepen. Ik heb ervaren dat dit
anderen de mogelijkheid geeft hun talenten te ontwikkelen.
Belangrijk is dat je met elkaar blijft praten: waarom doe je
het? Waarom doe je juist dit werk als vrijwilliger? Je moet
elkaar uitdagen daar over na te denken en te praten. Zo kom je
tot geloofscommunicatie.
Wat laat je achter in Nieuwegein en wat neem je met je
mee?
Wat ik achter wil laten is dit: leer en durf meer de tijd te
nemen voor inhoud en geloofsgesprekken, verzuip niet in het
georganiseer! Durf nieuwe wegen te gaan!
En wat ik zeker meeneem: de collegialiteit in het team en de
samenwerking met de vele vrijwilligers en parochianen die de
gemeenschap gestalte geven, het samen er voor gaan! Ik hoop dat
dit ook mee gaat op bestuurlijk niveau.
Wij wensen pastor Brylak veel succes in haar nieuwe functie
bij het dekenaat IJssellanden in Zwolle.
Ineke Brouwer en Paul Nieuwenhuisis
Even voorstellen
Mijn naam is Dorothea Brylak. Ik ben 1965 in Gelsenkirchen
(Duitsland) geboren en samen met mijn oudere broer in Gladbeck opgegroeid,
een plaats waar mijn ouders en mijn broer met zijn gezin nog steeds
wonen. Na mijn “Abitur” aan het Gymnasium in Gladbeck heb ik de opleiding
als verpleegkundige voor kinderen gevolgd die ik in 1988 heb afgerond.
In oktober 1988 ben ik ingetreden in de Congregatie van de Zusters
van de heilige Maria Magdalena Postel te Bestwig / Sauerland (kort:
smmp). Omdat ik voor mijn intrede al veel contact met de Nederlandse
zusters van mijn kloostergemeenschap had, heb ik te kennen gegeven
dat ik daar graag wil leven en werken. Zo komt het dat ik sinds 1991
in Vleuten woon, in een communiteit met acht medezusters.
Na mijn theologiestudie aan de Katholieke Theologische Universiteit
te Utrecht ben ik benoemd tot pastoraal werkster in de Taborparochie
te Nieuwegein, waar ik sinds juli 2002 met veel plezier en inspiratie
werk.
In die drieënhalf jaar mocht ik de parochie met al haar facetten leren
kennen en ruiken aan alle profielen.
Sinds 1 januari 2006 maak ik deel uit van het pastoraal team 3Rivierenland.
Binnen dit team mag ik, hopelijk samen met velen, voor het profiel
gemeenschapsopbouw gaan met bijzondere aandacht voor het jongerenpastoraat.
Met betrekking tot dit laatste ben ik verkennend bezig. Ik heb al
leuke contacten gehad met verantwoordelijken in de parochies van IJsselstein,
Montfoort en Harmelen. Cabauw en Benschop staan nog op het programma.
Ik heb vertrouwen in een vitale en levendige toekomst van het parochieverband
3Rivierenland in zijn geheel en van de zes parochies. Overal leven
vragen, zijn er onzekerheden en angsten. Die mogen er ook zijn en
uitgesproken worden. Ik was bang dat ze ons zouden verlammen. Maar
juist nu zie, hoor en ervaar ik, dat daardoor positieve krachten vrijkomen
en parochianen hun energie in goede banen weten te leiden.
Laten we er SAMEN voor GAAN. Ik wens ons allen een gezegende toekomst
toe.
Dorothea Brylak smmp, pastor (tekst 2006)
|